Het spoor Nico De Guchtenaere

 

Volgens Leonardo da Vinci wordt de zelfstandigheid van een schilderij niet alleen bepaald door zijn mimetische kracht, maar is deze zelfstandigheid ook gelegen in de ruimtelijke en de wiskundige structuur, waarmee hij doelt op de proportionaliteit als structureel principe en gegeven van de schilderkunst.

In het 'abstracte' werk van Nico De Guchtenaere is het verhaal waaruit elk werk dito schilderij ontstaat, is de concrete gebeurtenis die er steeds aan voorafgaat niet in de eerste plaats van belang. Het is verschoven naar een 'tweede plan', omdat het uiteindelijk de compositie, de kleur, de structuur, de textuur, en de vorm zijn -en hoe die afzonderlijke componenten zich tot elkaar verhouden en laag na laag gevormd worden- die het schilderij bepalen. Via zijn geabstraheerde taal vertelt De Guchtenaere ons zijn niet onmiddellijk aan de direct waarneembare werkelijkheid gerelateerde picturaal verhaal.

Gehoor gevend aan de wetten van de natuur (niet alleen letterlijk, maar ook aan die van het doek, van de verf en van het palet) geeft hij zijn picturaal universum op een organische manier gestalte. Als een seismograaf peilt hij met zijn werk in en naar de diepte.

Niet toevallig ontdekken we dan ook procesmatige vormen, netwerken van lijnen en van vlekken die refereren aan het cellulaire of aan aardse lagen diep onder de grond. Het kunnen vormen zijn die hun oorsprong/uitgangspunt vonden in een elfenbank of de sporen van de larven van de spintkevers, die leven van de bast en het spinthout van de bomen. Met zijn kleuren verwijst hij steeds naar de natuur, die hij trouw blijft, en haar daarmee verbonden patina.

Zijn werk is een geduldig proces van constructie, deconstructie (onder andere door het wegwerken en/of afschrapen van de verf) en vervolgens weer gestaag opbouwen; een zich steeds herhalend procedé (als elkaar opvolgende seizoenen of cycli, waarbij elk einde de aanzet vormt voor een nieuw begin) om een interessante gelaagdheid te creëren, tot het uiteindelijke resultaat homogeen is en telkens, niettegenstaande alle beweeglijkheid in het werk, een definitieve rust uitstraalt. Op die manier ontstaat er een zeer specifiek, creatief en typisch idioom, waarin noch het obscure, noch het hermetische wordt opgezocht, maar de creatie bevrijdend werkt vanuit een innerlijke noodzaak.

Zo kan hij ook de verf een eigen leven laten leiden en richtingen doen bepalen, los van en samen met de beredeneerde keuze en de subtiele hand van de schilder zelf. Opvallend is dat De Guchtenaere niet ostentatief met verf 'smijt', in die zin dat het niet louter om de materie omwille van de materie gaat. Het vaak egaal ogende eindresultaat geeft bij een nadere beschouwing en lezing, via de doorkijken en inkijken, de finesse en de gelaagdheid van het schilderij prijs. Een verticale compositie durft hij soms met een horizontale dikke lijn doorbreken, de twijfel die zich tussen het verschijnen en verdwijnen van vlekken en van lijnen afspeelt, is slechts schijnbaar en zeer gewild. Dat alles zorgt voor een samenspel van verf en doek, van compositie en van inhoud, van plasticiteit en van creatie. Ogenschijnlijk eenvoudig, maar zeer rijk en gevarieerd.

 

Inge Braeckman